Fotografie: les 3 van 9, Sluitertijd
Sluitertijd: beweging bevriezen of uitrekken
De sluitertijd bepaalt hoe lang je camera licht ontvangt. Dat klinkt technisch, maar je ziet het meteen terug in je foto: scherp of uitgesmeerd, bevroren of vol beweging. In deze les leer je de sluitertijd lezen, beweging bevriezen en wanneer je een lange sluitertijd gebruikt.
Wat is sluitertijd?
Voor de sensor zit een klepje, de sluiter. Als je de foto neemt, gaat dat klepje heel even open. De tijd dat het open staat is de sluitertijd. Die geef je aan in fracties van een seconde: 1/250 betekent een tweehonderdvijftigste seconde. Staat er een s achter een getal, dan gaat het om hele seconden. Sluitertijd is een hoek van de belichtingsdriehoek uit les 1.
De gangbare reeks is: 1/1000, 1/500, 1/250, 1/125, 1/60, 1/30, 1/15, 1/8, 1/4, 1/2 en 1 seconde. Elke stap is een stop: de helft of het dubbele aan licht. De getallen zijn afgerond: 1/60 is eigenlijk net iets meer dan de helft van 1/30.
Beweging bevriezen met een korte sluitertijd
Met een korte sluitertijd (veel kleiner dan een seconde) lijkt de tijd stil te staan. Een kind dat rent, een hond die springt of een waterdruppel: ze zijn scherp. Als ruwe vuistregel is 1/250 vaak genoeg voor een wandelend persoon, en voor snelle sporters of vogels kies je liever nog korter. Het is een vuistregel, geen wet: hoe sneller je onderwerp, hoe korter de tijd moet zijn.
Een korte sluitertijd laat weinig licht binnen. Dan kun je het diafragma groter maken (zie les 2) of de ISO verhogen (zie les 4). Op de camera kies je de S- of Tv-stand, sluitertijdvoorkeuze. Pak de handleiding van je camera erbij, want de namen verschillen.
Scherp uit de hand: de vuistregel
Een lange sluitertijd heeft nog een nadeel: je eigen handen trillen. Dat heet camerabeweging en maakt je hele foto onscherp. Een bekende vuistregel zegt: ga niet langzamer dan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand van je lens. Bij een lens van 50 mm is dat dus 1/50 seconde. Bij een lens van 200 mm zit je op 1/200 seconde. Het is een ruwe vuistregel uit de tijd van kleinbeeldcamera's. Houd bij een telefoon of kleine camera liever korter. Onder ongeveer 1/30 seconde gebruik je beter een statief of een steunpunt.
Lange sluitertijd: water, lichtsporen en nacht
Een lange sluitertijd gebruik je met opzet om beweging te laten zien. Stromend water wordt zacht en glad, auto's laten lichtsporen achter en bij weinig licht kun je toch een heldere foto maken. Een paar tips:
- Zet je camera op een statief of op iets stevigs, zoals een muurtje.
- Gebruik de zelfontspanner (bijvoorbeeld twee seconden), zodat je de camera niet beweegt bij het indrukken.
- Overdag laat een lange sluitertijd te veel licht binnen. Een donker filter dat het licht tempert (een ND-filter) helpt dan. Je kunt ook een klein diafragma kiezen.
- Mensen of voorwerpen die steeds bewegen kunnen bij heel lange opnamen (minuten) bijna verdwijnen.
Tip: laat je telefoon geen sluitertijd instellen? Sommige camera-apps hebben een nachtstand of een lange-belichting-stand. Wat die precies doet verschilt per app, dus kijk in de help van je camera-app.
Let op: is je foto onscherp? Dat kan komen door verkeerd scherpstellen (zie les 5) of door een te lange sluitertijd. Controleer eerst de sluitertijd.
Probeer het zelf
- Zoek een bewegend onderwerp: een kraan met stromend water, een voorbijrijdende fiets of je huisdier.
- Zet je camera op sluitertijdvoorkeuze (S of Tv) en kies 1/500 of de kortste tijd die lukt. Maak een foto.
- Zet de camera op een stapel boeken en kies een lange tijd, bijvoorbeeld 1/4 seconde. Gebruik de zelfontspanner en maak weer een foto.
- Vergelijk de twee foto's. Wat gebeurt er met de beweging?
Je telefoon laat de sluitertijd niet instellen? Fotografeer dan de fiets of het water en kijk hoe scherp de beweging er automatisch uitziet.
Onthoud
- Sluitertijd is hoe lang de sensor licht ontvangt, bijvoorbeeld 1/250 seconde.
- Korte sluitertijd bevriest beweging, lange sluitertijd rekt beweging uit.
- Elke stap in de reeks is dubbel of half zoveel licht.
- Uit de hand ga je volgens een vuistregel niet langzamer dan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand.
- Bij een lange sluitertijd gebruik je een statief.
Check jezelf
Welke sluitertijd bevriest beweging het best: 1/1000 of 1/15?
1/1000. Een korte sluitertijd bevriest beweging.
Wat is de vuistregel voor uit de hand fotograferen bij een lens van 100 mm?
Ga niet langzamer dan ongeveer 1/100 seconde.
Waarom gebruik je een statief bij een lange sluitertijd?
Omdat je handen trillen. Een lange sluitertijd maakt die beweging zichtbaar als onscherpte.
Veelgestelde vragen
Wat is sluitertijd?
De sluitertijd is de tijd dat de sensor van je camera licht ontvangt. Een korte sluitertijd, zoals 1/1000 seconde, bevriest beweging. Een lange sluitertijd, zoals een halve seconde, laat bewegende dingen uitsmeren.
Welke sluitertijd heb ik nodig uit de hand?
Een bekende vuistregel zegt dat je niet langzamer gaat dan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand van je lens, dus 1/50 s bij een lens van 50 mm. Het is een ruwe vuistregel en geen wet. Een stevige houding en een goede camerariem helpen.
Wanneer gebruik ik een lange sluitertijd?
Bij weinig licht, bij stromend water dat zacht moet ogen en bij lichtsporen van auto's in het donker. Zet je camera dan op een statief of ander stevig steunpunt.
Waarom is mijn foto onscherp terwijl ik goed scherpstel?
Dan is de sluitertijd vaak te lang voor de situatie. Je camera schudt, of je onderwerp beweegt. Kies een kortere sluitertijd en kijk of de foto dan scherp is.